De 90 minuten durende documentaire ”Aghet” (Armeens: ”de catastrofe”) vertelt over een van de meest duistere hoofdstukken van de Eerste Wereldoorlog: de genocide op de Armeniërs, waarbij tot 1,5 miljoen mensen in het Ottomaans-Turkse rijk stierven. Deze volkerenmoord wordt echter tot op de dag van vandaag door Turkije niet erkend als historisch feit en door de wereld in ruime mate genegeerd. Voor de film werd het verloop van de volkerenmoord uit talrijke historische bronnen gereconstrueerd.
Uitzending: vrijdag 9 april 2010, 23.30 uur, ARD
Het laatste wat ik van de kinderen zagDe Turkse regering ontkent de volkerenmoord op de Armeniërs. Tussen 1915 en 1917 werd het oudste christelijke volk bijna volledig vernietigd. Daaraan herinnert een uitstekende documentaire op de Duitse ARD-televisie. Die zal opschudding veroorzaken.Het was een bevel. Een korte zin, geformuleerd door de Turkse regering. Hij betekende voor bijna duizend Armeense kinderen de dood. Beatrice Rohner praat zachtjes, ze herinnert het zich niet precies. Ze weet niet, waar de kinderen begraven liggen. Ook niet, hoe ze stierven; of ze verhongerden, of men ze doodsloeg. Geen vaders en moeders konden om hen rouwen. De ouders had men destijds, in het jaar 1917, al lang vermoord.
De ontruiming van de door christelijke organisaties geëxploiteerde kindertehuizen zou de laatste etappe van de Turkse vernietigingstocht tegen de Armeniërs zijn; zo had men het in Istanboel, het voormalige Constantinopel, beslist. Ook het kindertehuis dat door de Zwitserse verpleegster Beatrice Rohner werd geleid, werd gesloten: ”Het laatste wat ik van de kinderen zag, was de speciale trein die ze meenam. En daarmee viel de sluier van de duisternis over hen”, zegt ze, ”en over mij.”
Het is een van de meest duistere hoofdstukken van de Eerste Wereldoorlog: de Turkse genocide op de Armeniërs. Tot op de dag van vandaag beweert de Turkse regering, dat deze nooit zou hebben plaatsgevonden. Tot op de dag van vandaag heeft geen van de landen, waarvan de parlementen de volkerenmoord hebben veroordeeld, van Turkije geëist om haar openlijk te erkennen. Men zou bewijzen moeten overhandigen, zegt de Turkse minister-president Tayyip Erdoğan. Op zo’n manier, alsof de volkerenmoord een mythe zou zijn, een hersenspinsel van de Armeniërs, een anekdote, waarmee men Turkije kwaad wil berokkenen. Maar de genocide is een feit, dat historici al lang hebben bewezen. De ontbrekende erkenning geeft een signaal af aan de families van de Armeense slachtoffers, dat hun waarheid een subjectieve zou zijn. Dat is verwoestend voor de Armeense identiteit.
De Armeniërs hebben eeuwenlang als christelijke minderheid onder de moslims van het Ottomaanse rijk geleefd, in Constantinopel, maar vooral in zes Oost-Anatolische provincies op het grondgebied van het huidige Turkije. Maar toen bracht de revolutie van de Jonge Turken in het jaar 1908 het land aan het wankelen. De generaals Talat Paşa, Enver Paşa en Djemal Paşa namen de macht over. Ze beloven de gelijkstelling van alle minderheden, maar zijn heel iets anders van plan: een groot rijk, waarin alleen Turken leven, verenigd door bloed, religie en ras. De naderende Eerste Wereldoorlog effent de weg voor hen. Duitsland, destijds een oorlogsbondgenoot, kijkt stilzwijgend toe: 1,5 miljoen mensen worden in de jaren 1915 tot 1917 het slachtoffer van de volkerenmoord. Tot op de dag van vandaag herdenken Armeniërs over de hele wereld deze op 24 april. Het was het begin van de genocide.
De mars leidt naar de woestijnOp die dag in het jaar 1915 werden 235 Armeense intellectuelen in Constantinopel gearresteerd. De beschuldiging: collaboratie met de Russische vijand – de jonge Turken hadden een zondebok nodig om hun nederlagen uit te leggen. Snel werden alle Armeniërs openlijk veroordeeld, Armeense soldaten van het Ottomaanse rijk werden gearresteerd, gemarteld en vermoord. Als bewijs voor haar these arrangeert de regering lokale samenzweringen en stookt de bevolking op. Het komt tot slachtingen. Dan wordt er gezegd, dat de oostelijke grensgebieden met Rusland voor de vijand zouden moeten worden beveiligd tegen de binnenlandse vijand. Het startschot voor de deportaties valt. Eerst alleen in het oosten, uiteindelijk op het hele grondgebied van het huidige Turkije. De regering beweert, dat de Armeniërs in Syrië, dat toen tot het Ottomaanse rijk behoorde, een nieuw thuis zouden vinden. Het is een leugen. Met de door Duitse ingenieurs gebouwde Bagdad-spoorlijn transporteert men ze, in veewagons. De meesten echter worden te voet door het land gedreven, zonder water en voedsel, duizenden kilometers. Het is een gruwelijke mars. De mensen sterven aan uitputting, worden doodgeslagen, verdronken, meisjes worden naar harems ontvoerd, vrouwen worden verkracht en hulpeloos achtergelaten. Slechts weinigen bereikten hun plaats van bestemming. Daar wacht de dood: de Mesopotamische woestijn.
Turkse rechtbanken hebben Djemal Paşa, Enver Paşa en Talat Paşa na de overwinning van de geallieerden ter dood veroordeeld – bij verstek. Ze waren op een Duits oorlogsschip ontkomen. Overwinnaarjustitie, heet het in Turkije, wanneer men daar historici met de feiten confronteert. Ook getuigen zoals Beatrice Rohner bestaan in de officiële Turkse geschiedschrijving niet.
Maar zij en buitenlandse missionarissen, consulaire medewerkers en leden van het Duitse officierenkorps, dat het Ottomaanse leger in de Eerste Wereldoorlog opleidde en aanvoerde, hebben de eerste volkerenmoord van de 20e eeuw meegemaakt. En erover geschreven. Maar zij werden niet gehoord – men hield de bewijzen achter slot en grendel om Turkije, de bondgenoot, niet te schaden. De schriftelijke bewijsstukken zijn opgeslagen in het politieke archief van buitenlandse zaken, in Denemarken, Zweden, Frankrijk en de Verenigde Staten. Nu, 95 jaar later, komen ze aan het daglicht. De getuigen spreken tot ons. Met de stemmen van acteurs. In een televisiefilm, die de titel ”Aghet” draagt. Hij betekent ”de catastrofe” en is het begrip dat de Armeniërs voor de genocide gebruiken.
De film reconstrueert de systematiek van de volkerenmoord en de muur van stilzwijgen, die met Duitse hulp rondom de misdaad werd opgebouwd. Slechts eenmaal stortte deze in: op 15 maart 1921 schiet de Armeense student Solomon Teilirian in Berlijn een man dood, in wiens papieren de naam Ali Sai staat. Het is Talat Paşa, hij had onder een valse naam in Berlijn gewoond. Het komt tot een moordproces, een juryrechtbank spreekt de student vrij. Hij zegt, dat hij de moordenaar van zijn familie zou hebben terechtgesteld – later blijkt, dat hij lid is van een geheime Armeense groepering, die wil afrekenen met de mannen achter de schermen van de genocide. Duidelijk onderzoek komt er niet. Het zwijgen wordt tot een historische continuïteit.
Zowel destijds als nu is Turkije een belangrijke bondgenoot, met wie niet valt te spotten. De Verenigde Staten zijn vooral sinds het begin van de Irak-oorlog aangewezen op de Turkse militaire bases; van hieruit vliegen Amerikaanse vliegtuigen naar Irak en Afghanistan. Nog in 2007 sprak Barack Obama van een genocide. Als president vermijdt hij de confrontatie met de NAVO-partner. Men laat de Armeniërs met de Turkse uitleg van de geschiedenis in de steek. De deportaties zouden in de oorlog een noodzakelijk kwaad geweest zijn om de Armeniërs te verhinderen de Russische troepen te steunen, beweert de Turkse geschiedschrijving tot op de dag van vandaag. Dat wordt in schoolboeken, films, officiële bekendmakingen van de regering, in de toespraken van de politici gezegd – Talat Paşa wordt als held vereerd. In de jaren-80 vestigde zich een door de staat beschermd wetenschappelijk instituut, die de these van de door de oorlog veroorzaakte deportaties van de Armeniërs onderbouwde. Sinds buitenlandse parlementen zich met het thema bezighouden, voeren Turkse historici een nieuwe manoeuvre uit: de islamitische bevolking zou de Armeniërs niet hebben afgeslacht, maar omgekeerd. Schattingen spreken van 3 miljoen doden. Wie dat niet wil geloven, wordt geïntimideerd, belasterd en strafrechtelijk vervolgd. De Nobelprijswinnaar voor literatuur Orhan Pamuk waagde het om van ”volkerenmoord” te spreken en werd daarom wegens ”smaad van het Turkendom” aangeklaagd. Turkse uitgeverijen, die boeken drukken die de nationale geschiedschrijving tegenspreken, worden met zulke hoge geldstraffen beboet, dat ze te gronde gaan. De regering bedreigt bevriende staten met het doorstrepen van bewapeningsopdrachten en het afbreken van de diplomatieke betrekkingen – met succes.
In de Turkse samenleving echter is het taboe broos geworden. De mensen laten zich niet meer zo gemakkelijk afpoeieren met de eenheidsdoctrine. Opzien baarde in 2004 de advocate Fethiye Cetin met haar boek, dat de geschiedenis van haar Armeense grootmoeder vertelt: als klein meisje op de deportatietrein weggerukt van haar moeder, groeide ze als gedwongen bekeerde moslima in een Turkse familie op. Honderden Turken belden de schrijfster en zeiden: ook ik heb zo’n grootmoeder gehad – ze hadden gezwegen uit angst.
Vooral echter de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink kroop steeds opnieuw met bezorgde taal naar de doos van Pandora toe. In de wetenschap, dat het Turkse volk iets ontkent, wat het dankzij de officiële geschiedschrijving niet beter kan weten. ”De Armeniërs in Turkije hebben te lijden onder een enorm trauma. En de Turken leven in een paranoia. Beide is niet gezond, beide leidt ons niet naar een oplossing”, schreef Dink. Hij betaalde met zijn leven: op 19 januari 2007 werd hij voor het redactiegebouw van zijn krant ”Agos” op straat doodgeschoten.
De dader, een 19-jarige jongeman, zei tijdens zijn arrestatie, dat Hrant Dink het Turkse volk zou hebben beledigd. Spoedig werd duidelijk, dat er nationalistische kringen achter de moordaanslag zaten: des te groter de verandering, des te panischer reageren de ontkenners. Maar hun rekening, om met de dood van Dink diegenen tot zwijgen te brengen die verwerking eisen, ging niet op. Het land werd gegrepen door een golf van solidariteit, tijdens de begrafenis van Dink gingen duizenden mensen de straat op. ”Wij zijn allemaal Hrant Dink” en ”Wij zijn allemaal Armeniërs”, stond er op hun spandoeken. Bijna een jaar later daagden moedige Turken opnieuw het interpretatiegezag van hun staat uit: dertigduizend mensen plaatsten hun handtekening onder een internetpetitie, die het Armeense volk om vergeving voor het onrecht van 1915 verzocht. Daarmee niet genoeg: een van de ondertekenaars, de advocaat Bendal Dschelil Esman, heeft zojuist een aanklacht ingediend bij een burgerlijk gerechtshof in Ankara: de Turkse regering moet de vervolging van de Armeniërs als volkerenmoord erkennen en alle straten, die de naam dragen van Talat Paşa, moeten een andere naam krijgen.
Ze konden hun tranen niet verbergenDat zijn signalen, die hoopvol stemmen. Maar steeds opnieuw werkt Tayyip Erdoğan op de emoties van de bevolking met populistische uitlatingen. Op de onlangs aangenomen genocidenresolutie van het Zweedse parlement en op die van het Amerikaanse huis van afgevaardigden, reageerde hij alsof men de eer van het Turkse volk zou beledigen. Als men daar niet mee zou stoppen, zou de regering de illegaal in Turkije levende Armeniërs deporteren, dreigde hij. Ook de in Duitsland levende Turken komen in aanraking met de strijd om het verleden. In maart toerde de Amerikaanse genocidenontkenner Justin McCarthy door Duitse steden op initiatief van de Turkse ambassade en de ”Turkse Gemeente Duitsland”. Herhaaldelijk had haar voorzitter, Kenan Kolat, geprobeerd de Armeense genocide van de lesroosters van de scholen in de deelstaat Brandenburg te laten schrappen – Brandenburg is de enige deelstaat die de genocide op scholen behandelt. Het geplande monument voor de predikant Lepsius uit Potsdam, die de genocide documenteerde, wilde Kolat verhinderen. Met een bekend Turks argument: men moet de beoordeling van de gebeurtenissen aan de historici overlaten.
De behoedzame omgang met de volkerenmoord, waarmee Hrant Dink de Turkse bevolking naar het thema toe leidde, hanteert ook Eric Friedler in de door de NRD geproduceerde film. Hij trekt een duidelijke lijn tussen daders en onwetende meelopers. Om het even of het om het Turkse heden of om de jaren 1915 tot 1918 gaat. Zo laat hij de schrijver Armin T. Wegner aan het woord komen in de gedaante van een acteur. Armin T. Wegner maakte als officier van gezondheid in het Ottomaanse leger de volkerenmoord mee en werd met zijn foto’s de belangrijkste aanschouwelijke kroniekschrijver van de genocide. Veel Turkse ambtenaren zouden hebben geweigerd de bevelen uit te voeren. Men zou daarom niet het hele Turkse volk voor de vernietiging van de Armeniërs kunnen aanklagen, bericht hij. ”Het heeft deze verschrikking niet gewild, er weinig van geweten, haar geduld, maar er zelden achter gestaan.”Martin Niepage, destijds leraar aan de Duitse school in Aleppo, observeerde: ”Vele Mohammedanen en Arabieren schudden afwijzend hun hoofden en konden hun tranen niet verbergen. Ze konden niet begrijpen, dat hun regering opdracht had gegeven voor zulke gruweldaden.”
Men kan er zeker van zijn, dat de Turkse regering ook uitspraken zoals deze aan de bevolking onthoudt. Want ze zouden kunnen helpen om het lijden voor ogen te zien.
Tegenwoordig weet men, dat het stilzwijgen over de genocide op de Armeniërs Hitler in zijn plannen tot de vernietiging van de Joden heeft aangemoedigd. Net zoals Talat Paşa en diens kameraden rekende hij op de desinteresse van de wereld.
De verwerking van de misdaad is niet alleen een zaak tussen de Armeniërs en Turkije.
”Aghet – een volkerenmoord” wordt vrijdag a.s. 9 april om 23.30 uur uitgezonden op Duitsland1 (ARD) Bronnen:
http://madrasaoftime.wordpress.com/2010/04/03/aghet-ein-volkermord/http://www.ndr.de/kultur/film/ndr_produktionen/aghet/index.html Vertaald uit het Duits door:
E.J. Bron
http://www.hetvrijevolk.com/index.php?pagina=11046